Hof Amsterdam 16 september 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BF2209
Voorts is het hof van oordeel dat het verweer van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder dat hij geen toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder meer is en daarom niet meer is verplicht om de opleidingpunten te behalen, geen doel treft. In de periode van 2005 – 2006 was de kandidaat-gerechtsdeurwaarder nog als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam en was hij als zodanig verplicht de opleidingpunten te behalen. Het verweer dat zijn gezondheidstoestand te wensen over laat en dat hij daarom geen cursussen heeft kunnen volgen, kan de kandidaat-gerechtsdeurwaarder ook niet baten. Het mag zo zijn dat de kandidaat-gerechtsdeurwaarder door zijn ziekte minder gelegenheid had tot het volgen van cursussen; het is de keuze van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder zelf geweest om het volgen van cursussen tot na juli 2006, het einde van de opleidingsperiode, uit te stellen. In de daarvoor gelegen periode had de kandidaat-gerechtsdeurwaarder tijd voor opleiding vrij behoren te maken, ook al had hij het druk. Met zijn stelling dat hij kosteloos cursussen kan volgen en daarom geen financieel voordeel heeft ten opzichte van andere gerechtsdeurwaarders die wel opleidingskosten moeten maken, ziet de kandidaat-gerechtsdeurwaarder over het hoofd dat het financiële voordeel ook is gelegen in de tijd die de kandidaat-gerechtsdeurwaarder bespaart door geen cursussen voor te bereiden en te volgen. Uit het bovenstaande volgt dat de handelwijze van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar is en wel dermate laakbaar dat de maatregelen van berisping en een geldboete passend en geboden zijn. Het hof zal de hoogte van de boete bepalen op € 200,= per niet behaald punt.
De uitspraak op rechtspraak.nl