Hof Amsterdam 27 juni 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BD6384
Niet kan worden gezegd dat het pensioenfonds niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit om te vereisen dat de besluitvorming van het verantwoordingsorgaan omtrent zwaarwichtige besluiten - waaronder het doen van een enquêteverzoek als bedoeld in artikel 219 van de Pensioenwet - plaatsvindt met een gekwalificeerde meerderheid van drie vierde van de uitgebrachte stemmen, waarbij ten minste één vertegenwoordiger van elke geleding vóór het besluit dient te stemmen doch waarbij geen quorum - in de zin van: minimum aantal voor besluitvorming benodigde, aanwezige stemmen - is vereist. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 33 van de Pensioenwet moet worden afgeleid dat (het bestuur van) het pensioenfonds bij het instellen en inrichten van het verantwoordingsorgaan en bij het vaststellen van het reglement van dat orgaan in beginsel de vrije hand heeft, mits zulks geschiedt binnen de grenzen van hetgeen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van (het bestuur van) het pensioenfonds wordt gevorderd. Onder deze omstandigheden moet het legitiem worden geacht te vereisen dat een zwaarwichtig besluit van het verantwoordingsorgaan eerst tot stand kan komen indien alle onderscheiden geledingen binnen dat orgaan zich in een zekere mate vóór het besluit hebben uitgesproken. Hierbij heeft de Ondernemingskamer in aanmerking genomen dat in het onderhavige reglement niet - ook - is voorgeschreven dat ingeval van zwaarwichtige besluiten alleen sprake kan zijn van besluitvorming indien alle leden van het verantwoordingsorgaan aanwezig zijn en hun stem uitbrengen, dat ook niet anderszins één enkel lid van het verantwoordingsorgaan de facto de besluitvorming kan frustreren dan wel een vetorecht heeft en dat evenmin is vereist dat alle binnen het verantwoordingsorgaan vertegenwoordigde geledingen in meerderheid vóór het zwaarwichtige besluit moeten stemmen. De omstandigheden dat iedere geleding - anders dan normaliter bij (vennootschappelijke) organen het geval is - au fond de (deel)belangen van haar achterban zal behartigen, dat die (deel)belangen van tijd tot tijd zullen conflicteren en dat het daarbij voor de hand ligt aan te nemen dat de belangen van werkgever en pensioenfonds in het algemeen dicht bij elkaar zullen liggen, kunnen in dit verband weliswaar tot onbevredigende uitkomsten leiden, zij vormen als zodanig onvoldoende rechtvaardiging om te dezen tot een ander oordeel te komen. Hierbij heeft de Ondernemingskamer mede in overweging genomen dat verwacht mag worden dat bij de toegezegde evaluatie van (de implementatie van) de onderhavige principes voor goed pensioenfondsbestuur aan dit aspect de nodige aandacht zal worden besteed en dat de deelnemersraad desgeraden ook, op de voet van artikel 111 van de Pensioenwet, uit eigen beweging het pensioenfonds tot aanpassing van het reglement van het verantwoordingsorgaan kan adviseren. (Pensioenwet art. 33 lid 1 aanhef en onder a; 111; 219)
De uitspraak op rechtspraak.nl