Hof Amsterdam 27 juni 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BD6383

Niet kan worden gezegd dat het pensioenfonds niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit om te vereisen dat (alle) besluitvorming van het verantwoordingsorgaan - waaronder het doen van een enquêteverzoek als bedoeld in artikel 219 van de Pensioenwet - slechts kan plaatsvinden indien vanuit elke geleding ten minste één stem vóór het besluit is uitgebracht. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 33 van de Pensioenwet moet worden afgeleid dat (het bestuur van) het pensioenfonds bij het instellen en inrichten van het verantwoordingsorgaan en bij het vaststellen van het reglement van dat orgaan in beginsel de vrije hand heeft, mits zulks geschiedt binnen de grenzen van hetgeen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van (het bestuur van) het pensioenfonds wordt gevorderd. Onder deze omstandigheden moet het legitiem worden geacht te vereisen dat een besluit van het verantwoordingsorgaan eerst tot stand kan komen indien alle onderscheiden geledingen binnen dat orgaan zich in een zekere mate vóór het besluit hebben uitgesproken. Uit het in 2.4 deels geciteerde rapport van de STAR kan het tegendeel ook niet worden afgeleid. Hierbij heeft de Ondernemingskamer in aanmerking genomen dat in het onderhavige reglement niet - ook - is voorgeschreven dat van besluitvorming alleen sprake kan zijn indien alle leden van het verantwoordingsorgaan aanwezig zijn en hun stem uitbrengen, dat ook niet anderszins één enkel lid van het verantwoordingsorgaan de facto de besluitvorming kan frustreren dan wel een vetorecht heeft en dat evenmin is vereist dat alle binnen het verantwoordingsorgaan vertegenwoordigde geledingen in meerderheid vóór het besluit moeten stemmen. In het licht van de door de wetgever voorgestane zelfregulering en van het binnen de door hem relevant geachte gremia gevoerde debat terzake kan het in casu gestelde vereiste van goedkeuring van tenminste één lid van elke geleding binnen het verantwoordingsorgaan, niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd. De omstandigheden dat iedere geleding - anders dan normaliter bij (vennootschappelijke) organen het geval is - au fond de (deel)belangen van haar achterban zal behartigen, dat die (deel)belangen van tijd tot tijd zullen conflicteren en dat het daarbij voor de hand ligt aan te nemen dat de belangen van werkgever en pensioenfonds in het algemeen dicht bij elkaar zullen liggen, kunnen in dit verband weliswaar tot onbevredigende uitkomsten leiden, zij vormen als zodanig onvoldoende rechtvaardiging om te dezen tot een ander oordeel te komen. Hierbij heeft de Ondernemingskamer mede in overweging genomen dat verwacht mag worden dat bij de toegezegde evaluatie van (de implementatie van) de onderhavige principes voor goed pensioenfondsbestuur aan dit aspect de nodige aandacht zal worden besteed en dat de deelnemersraad desgeraden ook, op de voet van artikel 111 van de Pensioenwet, uit eigen beweging het pensioenfonds tot aanpassing van het reglement van het verantwoordingsorgaan kan adviseren. De Ondernemingskamer overweegt ten overvloede nog dat het enquêterecht van een andere orde is dan de bevoegdheden welke los daarvan aan het verantwoordingsorgaan zijn toegekend en dat het om die reden voorstelbaar ware geweest dat dit recht (niet - als onderdeel van de principes voor goed pensioenfondsbestuur - in de Pensioenwet doch) separaat in de wet zou zijn verankerd. In het verlengde hiervan moet een regeling ingevolge welke de Ondernemingskamer thans in een geding als het onderhavige wordt geroepen mede te oordelen over (een geschil in verband met) de (toekenning van de) bevoegdheid haar te adiëren als minder gelukkig worden beschouwd. (Pensioenwet art. 33 lid 1 aanhef en onder a, 111, 219)

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen