Hof Amsterdam 11 maart 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BC8603
Daarmee komt de vraag aan de orde of [A.] later heeft verzekerd – zoals [appellanten], in feite subsidiair, aanvoeren – dat ook de nieuwe bouwwerken én de renovatie niet boven het oude offertebedrag zouden uitkomen. Wat de renovatie betreft is dat gelet op hetgeen zojuist is gezegd zeer onwaarschijnlijk; tenzij er aanwijzingen zijn dat de ‘nieuwe’ nieuwbouw een stuk goedkoper zou uitkomen dan de ‘oude’, maar dat is gesteld noch gebleken. Wat hier ook van zij, gelet op de vorige rechtsoverweging was het aan [appellanten] om hun stelling dat [A.] het een en ander zou hebben verzekerd (met dien verstande dat [appellanten] daaruit redelijkerwijs mochten afleiden dat het hele werk voor de oude prijs zou worden uitgevoerd) te bewijzen. Dat heeft de rechtbank in haar vonnis van 27 augustus 2003 dan ook terecht opgedragen. De grieven 2 en 3 in het principaal appel, die de juistheid van die beslissing van de rechtbank bestrijden, falen daarmee.
De uitspraak op rechtspraak.nl