Hof Amsterdam 16 oktober 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BC5133

Artikel 233 Rv bepaalt, kort gezegd, dat de rechter indien dit wordt gevorderd, een vonnis geheel of gedeeltelijk uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren. Artikel 233 lid 3 Rv bepaalt dat de rechter aan die uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde kan verbinden dat tot een door hem bepaald bedrag zekerheid wordt gesteld. Artikel 235 Rv bepaalt daaropvolgend dat indien tegen een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis een rechtsmiddel wordt aangewend, in appel alsnog kan worden gevorderd dat aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Ingevolge voornoemde artikelen dient de zekerheidstelling te worden beschouwd als een voorwaarde, verbonden aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Ingeval een dergelijke voorwaarde aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad is verbonden, geldt derhalve dat eerst zekerheid dient te worden gesteld alvorens een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling kan worden ten uitvoer gelegd. Met dit systeem verdraagt zich niet dat aan een reeds ten uitvoer gelegd vonnis alsnog - in appel op grond van artikel 235 Rv - de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Van een werkelijke voorwaarde waaraan moet worden voldaan wil het vonnis - op grond van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad - kunnen worden geëxecuteerd is dan immers geen sprake meer. Ook de wetsgeschiedenis biedt steun aan die opvatting (PG NBW Invoering boeken 3, 5 en 6, Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de Rechterlijke Organisatie en de Faillissementswet, pg. 31 e.v.): "(...) Artikel 54 brengt ten opzichte daarvan (hof: artikel 352 Rv oud) een aanzienlijke verruiming, die in beginsel mogelijk maakt ten aanzien van elke uitvoerbaarverklaring bij voorraad alsnog toevoeging van de voorwaarde van voorafgaande zekerheidstelling te vragen. (...)"

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen