Hof Amsterdam 18 december 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BC4506
Tussen partijen is niet in geschil dat de onderhavige bindende tariefinlichting geen betrekking heeft op (voorgenomen) in- of uitvoer-transacties. Dit betekent dat deze niet ziet op goederen waarvoor de douaneformaliteiten worden vervuld. De bindende tariefinlichting ziet derhalve ook niet op de vaststelling van in- of uitvoerrechten. Het vorenoverwogene houdt in, anders gezegd, dat onder de benaming “bindende tariefinlichting” door de inspecteur in wezen een besluit is genomen inzake de binnenlandse heffing van accijns. Het gebruik van de GN, ter bepaling van het karakter van de accijnsgoederen, is in casu ook alleen maar ten dienste van deze binnenlandse heffing. Er is derhalve niet voldaan aan het bepaalde in artikel 12, tweede lid, tweede volzin, van het Communautair douanewetboek en het zevende lid, eerste streepje, van dat artikel. Evenmin – in aansluiting daarop – is voldaan aan het bepaalde in artikel 1 en artikel 2, tweede lid, letter a, van de Douanewet. Ook artikel 62 van de Wet op de accijns vormt een beletsel om de wettelijke bepalingen inzake de douane op de onderhavige zaak van overeenkomstige toepassing te achten. In artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (in de versie van het jaar 2004; hierna: Awr) is bepaald dat tegen een uitspraak van de inspecteur beroep kan worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam, indien het beroep betreft: a. een uitnodiging tot betaling dan wel b. een beschikking die is genomen op grond van wettelijke bepalingen in de zin van de Douanewet. Uit al het vorenoverwogene volgt dat in casu geen sprake is van de in artikel 26, tweede lid, van de Awr genoemde instrumenten, zodat wordt geoordeeld dat niet de Douanekamer van het gerechtshof te Amsterdam, maar de belastingkamer van het hof, waaronder de vestigingsplaats van belanghebbende ressorteert, te weten het gerechtshof te Arnhem, bevoegd is. Alle verdere beslissingen over de betekenis van het primaire besluit en de daarop volgende rechtshandelingen alsmede aangaande de proceskosten en het griffierecht moeten aan laatstgenoemd hof worden overgelaten.
De uitspraak op rechtspraak.nl