Hof Amsterdam 22 mei 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB5012
De Douanekamer volgt de inspecteur niet in zijn stelling dat de zaak naar hem moet worden teruggewezen opdat hij deze op de voet van artikel 871 van de UCDW naar de Europese Commissie verwijst voor afhandeling. In aanmerking nemende dat, als weergegeven onder 6.3., de Douanekamer van oordeel is dat in casu is voldaan aan de voorwaarden van artikel 220, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het CDW, noopt deze bepaling daartoe niet. De verplichting tot verwijzing naar de Europese Commissie betreft, gelet op de bewoordingen van deze bepaling, een verplichting ten aanzien van de douane-autoriteit ingeval deze meent dat aan de voorwaarden van artikel 220, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het CDW is voldaan. Deze bepaling houdt geenszins in dat de nationale rechter indien een geschil inzake de toepassing van artikel 220, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het CDW aan hem wordt voorgelegd niet bevoegd zou zijn te oordelen dat aan de voorwaarden van deze bepaling voldaan is en dat derhalve van boeking achteraf moet worden afgezien. De stelling van de inspecteur dat de Douanekamer niet bevoegd zou zijn faalt derhalve. Indien en voorzover de inspecteur heeft bedoeld te stellen dat de Douanekamer – zo hij mét de inspecteur oordeelt dat aan de voorwaarden van artikel 220, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het CDW is voldaan – zelf de zaak naar de Europese Commissie moet verwijzen, faalt dit betoog eveneens, nu de nationale rechter, gelet ook op het bepaalde in artikel 4, derde lid van het CDW, bezwaarlijk als een douaneautoriteit als bedoeld in artikel 871 van de UCDW kan worden aangemerkt.
De uitspraak op rechtspraak.nl