Hof Amsterdam 19 juni 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB1206

Belanghebbende komt met het vliegtuig uit het buitenland, landt op Schiphol en neemt in zijn handbagage een kostbaar schilderij mee. Op de vraag van de douaneambtenaar of hij iets aan te geven heeft antwoordt belanghebbende ontkennend. Vervolgens wordt een proces-verbaal opgemaakt inzake een strafrechtelijk onderzoek, ingesteld tegen belanghebbende op verdenking van het binnenbrengen van goederen in de Gemeenschap zonder deze aan te brengen bij de douane of daarvan aangifte te doen. Het strafrechtelijk onderzoek is uiteindelijk met een transactie afgewikkeld. Belanghebbende komt, na zijn door de inspecteur afgewezen bezwaar, in beroep bij de Douanekamer van het Gerechtshof. De Douanekamer overweegt o.a. als volgt: 6.9. Als overwogen in 6.2. moet ervan worden uitgegaan dat belanghebbende is aangesproken in het groene kanaal. De inspecteur stelt zich op het standpunt - zie 5.3. - dat, zo belanghebbende eigener beweging de ambtenaar had gemeld dat hij de tekening welke zich in zijn handbagage bevond tijdelijk invoerde, deze mededeling als vergunningaanvraag zou zijn behandeld en gehonoreerd. Als weergegeven onder 6.3. neemt de Douanekamer als vaststaand aan dat belanghebbende de vraag of hij iets aan te geven had, ontkennend heeft beantwoord. Zo in die vraag nog een - buitenwettelijke - mogelijkheid besloten ligt om alsnog aangifte te doen, hetgeen de inspecteur overigens heeft bestreden, heeft belanghebbende daarvan geen gebruik gemaakt. Van enige andere uitlating van de kant van belanghebbende, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij een verzoek om vergunning voor de regeling tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van rechten wenste te doen, is voorts niet gebleken. Zo belanghebbende bedoelt te stellen dat hem, na het binnentreden van de groene doorgang, alsnog uitdrukkelijk de gelegenheid had moeten worden geboden om een beroep te doen op de hier bedoelde vrijstellingsregeling, vindt zulks geen steun in het recht. Ook op artikel 212bis van het CDW kan in dit verband niet met vrucht een beroep worden gedaan, reeds omdat, naar de inspecteur terecht heeft gesteld, in het onderhavige geval geen sprake is van de in deze bepaling bedoelde bijzondere bestemmingen of vrijstellingen, nog daargelaten, of aan de overige voorwaarden van deze bepaling is voldaan. Voorzover belanghebbende zich te dezen op het standpunt stelt dat de inspecteur, door hem niet de gelegenheid te geven alsnog een beroep op de vrijstellingsregeling te doen, heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, faalt deze stelling. Met hetgeen hij heeft aangevoerd heeft belanghebbende - tegenover de betwisting door de inspecteur - niet aannemelijk gemaakt, dat de douaneambtenaren hebben gehandeld in strijd met het beginsel van fair play, of dat sprake is van willekeurig optreden. Evenmin is tegenover de betwisting door de inspecteur aannemelijk gemaakt dat de ambtenaren hebben gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel; voor wat betreft belanghebbendes verwijzing naar reizigers die alsnog de gelegenheid krijgen zichtbaar door hen vervoerde accijnsgoederen aan te geven, niet, omdat daarvan in casu geen sprake is, en voor wat betreft belanghebbendes verwijzing naar de invoer van een viool niet, omdat belanghebbende dienaangaande onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd. 6.10. Uit al het vorenoverwogene volgt dat belanghebbende geen vergunning had de tekening met toepassing van de regeling tijdelijke invoer met vrijstelling van rechten in te voeren. Reeds hierom kan de tekening niet met toepassing van die regeling worden ingevoerd. Bovendien is ook aan de materiële vereisten voor toepassing van de vrijstelling als bedoeld in artikel 578, aanhef en onderdeel a, UCDW niet voldaan, aangezien belanghebbende ten tijde van het binnenbrengen niet te kennen heeft gegeven dat de tekening binnen drie maanden zou worden wederuitgevoerd, en zulks ook niet is gebeurd. Integendeel, de tekening bevond zich op het tijdstip van de nadere mondelinge behandeling, dat wil zeggen meer dan drie jaren na het binnenbrengen daarvan, nog steeds hier te lande, zonder dat van enig beletsel voor wederuitvoer is gebleken. (...).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen