Hof Amsterdam 7 november 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ7738
Belanghebbende heeft aangifte gedaan tot plaatsing van goederen onder de regeling extern communautair douanevervoer. Bij aankomst van de goederen op de plaats van bestemming heeft de toegelaten geadresseerde geconstateerd dat er één karton minder aanwezig is dan is vermeld op de aangifte T1. Uiteindelijk is de inspecteur in verband met de gedeeltelijke niet zuivering van de aangifte T1 overgegaan tot vaststellen van een uitnodiging tot betaling en een boetebeschikking. Naar het oordeel van de rechtbank kon in redelijkheid niet worden geconcludeerd dat zich een onttrekking heeft voorgedaan en een schuld in de zin van het CDW is ontstaan. De aangifte dient te worden herzien, ingevolge artikel 78 van het CDW. Hoger beroep inspecteur bij de Douanekamer. Naar het oordeel van de Douanekamer kan uit de feiten worden geconcludeerd dat zich een onttrekking heeft voorgedaan. Voor die situatie is tussen partijen niet in geschil dat de douaneschuld in Nederland is ontstaan en dat de uitnodiging tot betaling van douanerechten terecht aan belanghebbende is uitgereikt. Voor de omzetbelasting moet eveneens worden geoordeeld dat een ontrekking heeft plaatsgevonden in de zin van artikel 18, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet OB. Dit brengt met zich dat zich het belastbare feit invoer m.b.t. de goederen heeft voorgedaan. De omzetbelasting is terecht van belanghebbende geheven. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden (geen reden tot twijfel aan aantal kartons in de container door stringent toezicht tijdens veterinaire keuring, rederijverzegeling en douaneverzegeling, direct melden van het vermis aan de Douane) brengen echter met zich dat het opleggen van een verzuimboete passend noch geboden is. Gelijk m.b.t. uitnodiging tot betaling aan inspecteur, gelijk m.b.t. boetebeschikking aan belanghebbende
De uitspraak op rechtspraak.nl