Hof Amsterdam 13 juni 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AX8948

Artikel 12, vierde lid, tweede volzin, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) bepaalt dat een BTI met terugwerkende kracht wordt ingetrokken indien zij is verstrekt op de grondslag van onjuiste of onvolledige gegevens van de aanvrager. Met betrekking tot die gegevens zij vastgesteld dat de productomschrijving op de verstrekte BTI niet wezenlijk verschilt van de schriftelijke aanvraag van N GmbH. Ook de omschrijving van het gebruik van de producten op de verstrekte BTI luidt niet anders dan op de aanvraag. De Douanekamer acht het van doorslaggevende betekenis dat belanghebbende bij de aanvraag een monster van het product heeft overgelegd, en tevens de bereidheid heeft uitgesproken tot het verstrekken van nadere informatie omtrent het product. Bij twijfel had het op de weg van de inspecteur gelegen van dit aanbod gebruik te maken. Daar komt bij dat belanghebbende, bij monde van mevrouw V, ter zitting heeft verklaard dat haar in het telefonisch overleg met de douane naar aanleiding van de mededeling uitslag monsteronderzoek van 9 september 1995 (sub 2.4. hiervoor) uitdrukkelijk is toegezegd dat de indeling van het door haar ingevoerde Acilat M95 in tariefpost 3821 gehandhaafd zou worden. Er zijn geen redenen gebleken om aan deze verklaring te twijfelen. Tevens moet hier meewegen het sub 2.11. vermelde vonnis van de rechtbank. Al het voorgaande - bezien in onderlinge samenhang - leidt tot de conclusie dat niet geoordeeld kan worden dat de onderwerpelijke BTI is verstrekt op onjuiste of onvolledige gegevens van de aanvrager. Dit betekent dat de BTI van 8 maart 1995 ten onrechte met terugwerkende kracht is ingetrokken. Het beroep is mitsdien gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen