Hof Amsterdam 4 april 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AW3060

Het verzoek om terugbetaling op grond van artikel 236 van het CDW is voor een deel van de uitnodigingen tot betaling te laat ingediend. Er zijn geen althans onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat er sprake is van overmacht of toeval in de zin van artikel 236, tweede lid, van het CDW. Het verzoek had voor die periode niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Dit geldt eveneens indien het verzoek zou worden aangemerkt als een verzoek op grond van artikel 239 van het CDW. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen