Hof Amsterdam 28 april 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AT6713
Belanghebbendes beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur wordt verworpen. De stelling van de inspecteur dat geen sprake is van een boeking achteraf als bedoeld in artikel 220 van het CDW deelt de Douanekamer echter niet. Vaststaat dat de goederen voordat de uitnodigingen tot betaling zijn uitgereikt zijn vrijgegeven; dit brengt mee dat er, gelet op art. 74 CDW, al eerder een boeking heeft plaatsgevonden. Er is echter geen sprake van een door de douane gemaakte vergissing die belanghebbende redelijkerwijs niet kon ontdekken in de zin van artikel 220, tweede lid, letter b van het CDW. Het beroep met betrekking tot de heffing van douanerechten wordt ongegrond verklaard. Met betrekking tot de heffing van omzetbelasting is de conclusie een andere: De omzetbelasting ter zake van de invoer van voor een aangewezen ondernemer bestemde goederen moet op aangifte worden voldaan door die ondernemer, de bestemming van onder een douaneregeling geplaatste goederen wijzigt pas op het tijdstip waarop de goederen worden geleverd in de zin van de Wet OB (HR 11 april 2003, nr. 37.897 (BNB 2003/210). De goederen waren in casu op het tijdstip van invoer nog niet door de fiscale eenheid aan de klant geleverd, dus was de bestemming op dat tijdstip niet gewijzigd. Dit brengt mee dat de omzetbelasting niet met toepassing van artikel 22 van de Wet OB van belanghebbende geheven had mogen worden. De uitnodigingen tot betaling van omzetbelasting konden daarom niet in stand blijven. Beroep met betrekking tot de heffing van omzetbelasting gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl