Hof Amsterdam 28 april 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5429
Met betrekking tot de toepassing van de vrijstelling als bedoeld in artikel 27 van Verordening 918/83 op de groupagezendingen concludeert de Douanekamer dat gelet op alle feiten en omstandigheden in onderling verband bezien, niet de klant als de geadresseerde in de zin van genoemd artikel dient te worden aangemerkt doch dat K BV geadresseerde is. De betreffende goederen worden dus naar het oordeel van de Douanekamer niet rechtstreeks aan de klant als geadresseerde gezonden in de zin van artikel 27 van Verordening 918/83. Hieruit volgt dat de vrijsteliling van artikel 27 van Verordening 918/83 voor wat betreft de heffing van douanerechten in de onderhavige situatie toepasssing mist en dat in zoverre het gelijk aan de inspecteur is. Belanghebbende stelde subsidiair schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name strijd met het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De Douanekamer verwierp dit beroep omdat niet aannemelijk is geworden dat de situaties bedoeld in o.a. door de Douane gezonden brieven, ten opzichte van de onderhavige situatie als gelijke gevallen moeten worden aangemerkt en uit de bewoordingen van de brieven expliciet blijkt dat de brieven betrekking hebben op goederen die rechtstreeks vanuit een derde land zijn verkocht aan particulieren binnen de EU, welke situatie zich in casu niet voordoet. Er is geen sprake van een vergissing die het gevolg is van een actieve gedraging van de tot navordering bevoegde autoriteiten. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur m.b.t. de toepassing van de vrijstelling een uitdrukkelijk standpunt heeft ingenomen. Deze stelling van belanghebbende faalt daarom. Het beroep met betrekking tot de heffing van douanerechten is ongegrond. Met betrekking tot de heffing van omzetbelasting oordeelde de Douanekamer als volgt: In zijn arrest van 11 april 2003, nr. 37.897 (BNB 2003/210) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de omzetbelasting ter zake van de invoer van voor een aangewezen ondernemer bestemde goederen op aangifte moet worden voldaan door die ondernemer, alsmede dat de bestemming van onder een douaneregeling geplaatste goederen eerst wijzigt op het tijdstip waarop de goederen werden geleverd in de zin van de Wet OB. Aangezien zoals hiervoor overwogen de goederen in het onderhavige geval op het tijdstip van invoer nog niet door evenbedoelde fiscale eenheid aan de klant waren geleverd, was de bestemming op dat tijdstip niet gewijzigd. Dit brengt mee dat de omzetbelasting niet met toepassing van artikel 22 van de Wet OB van belanghebbende geheven had mogen worden. De uitnodiging tot betaling van omzetbelasting kan derhalve niet in stand blijven. Beroep gegrond. De Douanekamer achtte geen termen aanwezig voor veroordeling in de proceskosten noch voor een toekenning van een schadevergoeding in zaak 00/90226 (douanerechten). In zaak 02/6221 (omzetbelasting) oordeelde de Douanekamer dat het gelijk van belanghebbende in deze zaak geen verband houdt met een schending van het gemeenschapsrecht voorzover belanghebbende verwees naar de door Hof Den Bosch 24 juli 2003, nr. 00/00296 (VN 2003/52.23) gestelde prejudiciele vragen. Zie ook HR 17 december 2004, nr. C03/114HR (VN 2005/5.4). Vaststaat dat belanghebbende geen kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase heeft gemaakt; de door belanghebbendes gemachtigde opgevoerde kosten zijn gemaakt ter zake van werkzaamheden verricht in opdracht en voor rekening van belanghebbendes opdrachtgever K BV. Belanghebbende lijdt dus door het onrechtmatig handelen van de belastingdienst geen schade; geen gronden om de Staat te veroordelen op de voet van artikel 8:73 AwB tot vergoeding aan belanghebbende van de kosten van rechtsbijstand in verband met het bezwaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl