Hof Amsterdam 28 april 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5422
Ingevolge art. 23 van de Wet OB moet de omzetbelasting die verschuldigd is ter zake van de invoer van goederen bestemd voor een aangewezen ondernemer in afwijking van het bepaalde in artikel 22 van de Wet OB op aangifte worden voldaan door die ondernemer. Belanghebbende heeft gemotiveerd gesteld, welke stelling de inspecteur niet althans onvoldoende heeft betwist dat J BV ten tijde van de invoer van de vermelde goederen beschikte over een aanwijzing als bedoeld in artikel 23 van de Wet OB. Aangezien de goederen in het onderhavige geval op het tijdstip van invoer nog niet door J BV aan de klant waren geleverd, was de bestemming op dat tijdstip niet gewijzigd. Dit brengt met zich dat de omzetbelasting niet met toepassing van art. 22 van de Wet OB van belanghebbende geheven had mogen worden (HR 11 april 2003, nr. 37.897 BNB 2003/210). Naar het oordeel van de Douanekamer kunnen de uitnodigingen tot betaling van omzetbelasting niet in stand blijven. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl