Hof Amsterdam 14 januari 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AS6027

6.1. Partijen zijn er, zo blijkt uit de stukken en uit hetgeen ter zitting is opgemerkt, vanuit gegaan dat de onderhavige douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 201 van het CDW. De Douanekamer zal partijen hierin volgen, nu deze zienswijze geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. 6.2. Tussen partijen is buiten geschil dat de aangiften in het tijdvak waarop de navordering ziet, zijn afgewikkeld op basis van gegevens die belanghebbende heeft verstrekt en aanvankelijk zijn geaccepteerd, maar die achteraf onjuist blijken te zijn. Achteraf is geconstateerd dat de douanewaarde is bepaald op basis van de veredelingskosten, verhoogd met de vrachtkosten, waardoor te weinig douanerechten zijn geheven ter zake van de betreffende aangiften ten invoer. 6.3. Op grond van artikel 201, derde lid, derde volzin, van het CDW kunnen in het geval wettelijk verschuldigde douanerechten geheel of gedeeltelijk niet zijn geheven, eveneens als schuldenaar voor de ontstane douaneschuld worden aangemerkt de personen die voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens onjuist waren. 6.4. Het ligt op de weg van de inspecteur om aannemelijk te maken dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de door haar aan de aangever verstrekte gegevens onjuist waren. Naar het oordeel van de Douanekamer is de inspecteur daarin niet geslaagd. De enkele stelling van de inspecteur dat de wettelijke bepalingen duidelijk zijn en dat gelet op deze bepalingen de vrijstellingsberekening van belanghebbende evident onjuist is, is daarvoor onvoldoende. Ook de stukken bevatten geen aanwijzingen dat belanghebbende wist dat de douanewaarde te laag was aangegeven. Daar komt nog bij dat tijdens de ingestelde boeken-onderzoeken geen enkele opmerking van de zijde van de douane is gemaakt inzake de door belanghebbende gehanteerde vrijstellingsberekening. Belang-hebbende kon naar het oordeel van de Douanekamer in de gegeven omstandigheden aannemen dat, met name bij het onder 2.4. genoemde onderzoek over het jaar 1997, de vrijstellings-berekening op haar fiscale merites was beoordeeld en dat ook de inspecteur zich in die berekening kon vinden; alsdan kan in het algemeen niet meer worden gesteld dat belanghebbende, gelet op het wettelijk systeem, wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de door haar verstrekte gegevens onjuist waren. Voor belanghebbende bestond met name geen aanleiding aangaande de juistheid van de door haar verstrekte gegevens nader onderzoek in te stellen. 6.5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat belanghebbende niet als schuldenaar is aan te merken, zodat de bestreden uitspraak en de uitnodiging tot betaling moeten worden vernietigd. Het subsidiaire en meer subsidiaire geschilpunt behoeven derhalve geen behandeling meer.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen