Hof Amsterdam 28 december 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AS2099
Primair is in geding het antwoord op de vraag of het bezwaarschrift tegen de beschikking, inhoudende intrekking van een vergunning vrijstelling van douanerechten en omzetbelasting, terecht niet ontvankelijk is verklaard. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat hij de beschikking niet heeft ontvangen. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat de beschikking op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, derhalve dient het niet-ontvangen daarvan voor rekening van de inspecteur te blijven. Op verzoek van belanghebbende is op 15 juli 1999 de beschikking toegezonden. Het bezwaarschrift van 9 juli 1999 is voortijdig, maar nu de beschikking ten tijde van de indiening wel reeds tot stand is gekomen, kan dit bezwaar wel als tijdig worden aangemerkt . Op de tweede plaats in in het geding de intrekking van de verhuisboedelvrijstelling. Belanghebbende stelt dat hij in 1995 en 1996 zijn normale verblijfplaats in Roemenie had en de vergunning ten onrechte is ingetrokken. De inspecteur weerspreekt dit en stelt dat belanghebbende zijn normale verblijfplaats in Nederland had. De Douanekamer oordeelt, onder verwijzing naar arresten van het Hof van Justitie, waarin criteria voor het bepalen van een normale verblijfplaats zijn gegeven, dat in deze zaak moet worden gekeken naar de plaats waar belanghebbende zijn persoonlijke bindingen had. De Douanekamer concludeert dat de normale verblijfplaats van belanghebbende in die jaren bij zijn gezin in Nederland was gelegen. De vergunning is derhalve terecht ingetrokken. Het beroep is gegrond, voor zover het de ontvankelijkheid van het bezwaar betreft.
De uitspraak op rechtspraak.nl