Hof Amsterdam 28 december 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AS2094

In geding is de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar tegen uitnodigingen tot betaling van douanerechten en omzetbelasting, verenigd op een aanslagbijet. De uitnodigingen tot betaling zijn op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt, te weten door toezending aan belanghebbende. De bezwaartermijn eindigde op 25 september 1998. De omstandigheid dat het aanslagbiljet niet naar de destijds in een aanverwante procedure optredende gemachtigde is gezonden, doet aan het voorgaande niets af. Een dergelijke verplichting vloeit voort uit de wettelijke bepalingen noch uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De gevoerde correspondentie kan niet worden aangemerkt als een bezwaar tegen de onderhavige uitnodigingen tot betaling. De brief van de gemachtigde van 9 juli 1999, waarin daadwerkelijk bezwaar wordt gemaakt, is tardief. De gebrekkige kennis van de Nederlandse taal noch de lopende procedure zijn gronden om de termijnoverschrijding op grond van artikel 6:11 Awb te pardonneren. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen