Hof Amsterdam 23 december 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AS2015

De Douanekamer overweegt in het kader van een geconstateerd tekort van goederen onder de regeling extern communautair douanevervoer, dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat tijdens het extern communautair douanevervoer handelingen zijn verricht of juist nagelaten tengevolge waarvan de douane geen toegang heeft gehad tot (een deel van) de zich onder de regeling bevindende goederen, in het bijzonder niet dat het in dit geval mogelijk zou zijn geweest om goederen te onttrekken zonder braak die zichtbare sporen achterlaat of zonder verbreking van de verzegeling. Voorts gaat de Douanekamer ervan uit dat het geconstateerde verschil te wijten is aan een verschrijving van de ambtenaar die het tekort heeft geconstateerd. Gelet op vorenstaande en de omstandigheid dat het tekort overeenkomt met een later aangetroffen hoeveelheid goederen, is de Douanekamer van oordeel dat in dit geval in redelijkheid niet kan worden geconcludeerd dat tijdens het verblijf van de goederen onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer een schuld in de zin van het CDW en de Wet OB is ontstaan. Mitsdien moet terugbetaling van douanerechten en omzetbelasting volgen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen