Hof Amsterdam 16 december 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AR7833

De stelling van de inspecteur dat een wijziging of herziening van een douaneaangifte na vrijgave van de goederen alleen plaats zou kunnen vinden in het kader van een door de douaneautoriteiten geinitieerde controle achteraf, wordt verworpen. In dit verband wordt verwezen naar HR 9 juli 2004, nr. 39.666, Douanerechtspraak 2004/82. Belanghebbende kon dus vragen om een herziening van de aangegeven douanewaarde. Naar het oordeel van de Douanekamer heeft het verstrijken van een periode van bijna 4 jaar tot gevolg gehad dat het verband is verdwenen tussen die verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap en de invoeraangifte op grond waarvan de auto zou kunnen worden beschouwd als verkocht voor uitvoer naarhet douanegebied van de Gemeenschap. Als de in 1998 overeengekomen prijs geen verband houdt met de in 2002 gedane invoeraangifte, kan deze prijs niet dienen als basis voor het vaststellen van de douanewaarde op de voet van artikel 29 CDW. In dat geval dient de douanewaarde opnieuw, maar nu op basis van de gegevens uit het relevante tijdvak, te worden vastgesteld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen