Hof Amsterdam 5 november 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AR5229

Het gerechtshof te Arnhem heeft 5 november 2004 uitspraak gedaan in de zogenaamde "Utrechtse discomoord". Het gerechtshof heeft de twee verdachten overeenkomstig de eis van de advocaat-generaal veroordeeld wegens het medeplegen van moord en het medeplegen van een tweetal pogingen tot moord tot gevangenisstraffen van 18 respectievelijk 12 jaar. Verdachte en zijn mededader hebben op 20 april 2002 welbewust aan het leven van een jonge vrouw een einde gemaakt, door haar met een vuurwapen van dichtbij in de rug te schieten en voorts het leven van een jonge man geruïneerd, door hem met voormeld vuurwapen van dichtbij in de borst te schieten, waardoor deze voor de rest van zijn leven grotendeels verlamd zal blijven. Door hun handelen hebben verdachte en zijn mededader aan de familie en vrienden van de slachtoffers onbeschrijfelijk en onherstelbaar leed toegebracht. Verdachte en zijn mededader hebben voorts een andere jonge vrouw - welke getuige was van voormelde twee brute liquidaties - in een levensbedreigende situatie gebracht, door van enige afstand op haar te schieten, hetgeen haar grote angst heeft aangejaagd. Naar het oordeel van het hof zijn de door verdachte en zijn mededader gepleegde feiten zo ernstig en gruwelijk, en voor de direct betrokkenen en de samenleving zo verontrustend, dat alleen een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur in aanmerking komt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen