Hof Amsterdam 10 september 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AR2424

Belanghebbende, douane-expediteur, heeft voor een partij herenkleding aangifte gedaan voor de regeling extern communautair douanevervoer met als bestemming Duitsland. De goederen zijn in Nederland overgeladen en gelost en vervolgens door de ECD in beslag genomen. Belanghebbende heeft uitnodigingen tot betaling van douanerechten en omzetbelasting, alsmede een boetebeschikking ontvangen. De Douanekamer overweegt dat door het overladen en het lossen van de goederen in Nederland sprake is van onttrekken aan het douanetoezicht. Zij concludeert tot het ontstaan van een douaneschuld, waarvoor belanghebbende terecht als schuldenaar is aangemerkt. Belanghebbende doet een beroep op art. 867bis UCDW. De Douanekamer overweegt dat, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, art. 867bis UCDW is vastgesteld om te voorkomen dat onder meer in beslag genomen en verbeurd verklaarde goederen, waarvoor de douaneschuld is tenietgegaan ingevolge art. 233 CDW, niet in het vrije verkeer van de EG terechtkomen voordat de douanerechten zijn voldaan; art. 867bis UCDW kan dus alleen worden toegepast in samenhang met art. 233 CDW. Naar het oordeel van de Douanekamer is art. 233 – noch letter c noch letter d – CDW in casu niet van toepassing, omdat de onttrekking als bedoeld in art. 203 CDW op het tijdstip van de inbeslagname al had plaatsgevonden: de douaneschuld is vóór de inbeslagname ontstaan en is ingevolge art. 233 CDW niet teniet gegaan. Wat betreft de omzetbelasting concludeert de Douanekamer dat er sprake is van invoer; belanghebbende is gelet op art. 22 Wet OB terecht als schuldenaar aangewezen. Tot slot beslist de Douanekamer dat de boetebeschikking in stand blijft nu belanghebbende de formaliteiten ter beëindiging van de douaneregeling (art. 92 jo. 96 CDW) niet heeft vervuld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen