Hof Amsterdam 8 september 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AR2394

Op 30 september 1998 heeft belanghebbende, douane-expediteur, in opdracht van W een aangifte voor het vrije verkeer gedaan voor boter, van oorsprong uit Nieuw-Zeeland, onder post 0405 10 19 10 van het Gemeenschappelijk douanetarief (GDT). Op 1 oktober 1998 heeft de douane een uitnodiging tot betaling aan belanghebbende uitgereikt, waarop een bedrag van f 163.308,50 (€ 74.106,16) aan “landbouwheffing bij invoer” staat vermeld. Op 2 oktober 1998 heeft de douane monsters van de boter genomen, deze 3 dagen op de douanepost opgeslagen in een koelkast, en op 5 oktober in een auto zonder koelsysteem vervoerd naar het Laboratorium van de belastingdienst. Op 7 januari 1999 heeft de inspecteur een uitnodiging tot betaling aan belanghebbende uitgereikt, waarbij een bedrag van f 258.132,-- (€ 117.135,20) aan “landbouwheffing bij invoer” wordt nagevorderd. Ten eerste acht de Douanekamer zich gelet op art. 26, lid 2, letter a, AWR bevoegd, nu partijen het er over eens zijn dat de geheven rechten als douanerechten hadden moeten worden aangeduid. Vervolgens concludeert de Douanekamer dat belanghebbende niet-ontvankelijk is voorzover het beroep is gericht tegen de uitnodiging tot betaling van 1 oktober 1998, omdat zij daartegen geen bezwaar heeft ingediend. In de derde overweging oordeelt de Douanekamer dat het bedrag aan landbouwheffing op de uitnodiging tot betaling van 7 januari 1999 getarificeerde douanerechten betreft. Dat de inspecteur de douanerechten onder de benaming “landbouwheffing bij invoer” heeft geheven acht zij een vergissing die voor belanghebbende kenbaar is op grond van het gemeenschapsrecht. In dat kader wijst de Douanekamer op het CDW, het Tarief van 1998 en het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Tot slot overweegt de Douanekamer dat de inspecteur de bezwaren van belanghebbende, geuit tegen onregelmatigheden begaan bij het monsteronderzoek, niet of onvoldoende heeft weersproken, en zelfs heeft toegegeven. Deze situatie vormt voor de Douanekamer een voldoende reden om te oordelen dat de uitslag van het monsteronderzoek en die van het heronderzoek niet de door de inspecteur toegepaste afwijking van de aangegeven post rechtvaardigen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen