Hof Amsterdam 14 juni 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ6558
Gelet op het arrest Derudder & Cie van het Hof van Justitie (nr. C-290/01 van 4 maart 2004) is de douane verplicht de aangever of diens vertegenwoordiger in kennis te stellen van hun besluit om monsters van de ingevoerde rijst te nemen. Belanghebbende betwist op de hoogte te zijn gesteld van de monsterneming. De Douanekamer oordeelt dat de inspecteur niet erin is geslaagd om aannemelijk te maken dat belanghebbende in kennis is gesteld van de monsterneming. De Douanekamer gaat voorbij aan een verklaring van een ambtenaar dat hij belanghebbende telefonisch heeft uitgenodigd voor de monsterneming, en neemt daarbij in aanmerking dat op het fyco-formulier geen aantekening is gemaakt dat belanghebbende op enigerlei wijze over de monsterneming of fysieke controle is geïnformeerd. Belanghebbende heeft volgens de Douanekamer onvoldoende weersproken gesteld dat niet zij, maar een niet-gemachtigde loodsmedewerker bij de monsterneming aanwezig is geweest en het fyco-formulier heeft ondertekend. Nu de inspecteur een essentiële voorwaarde in een dwingend voorgeschreven procedure heeft geschonden, moet volgens de Douanekamer de monsterneming terzijde worden gesteld. De resultaten van het monsteronderzoek kunnen niet dienen als grondslag voor de indeling van de ingevoerde rijst in het GDT.
De uitspraak op rechtspraak.nl