Hof Amsterdam 13 juli 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ3772
Ingevolge artikel 201, derde lid, derde volzin, van het CDW, jo. artikel 54 van het Douanebesluit, kunnen, wanneer een douaneaangifte voor een van de in het eerste lid bedoelde regelingen is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de wettelijk verschuldigde rechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven, de personen die deze voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt, terwijl zij wisten of redelijkerwijs hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren, eveneens als schuldenaar worden beschouwd. Op de inspecteur rust de bewijslast voor de omstandigheid dat belanghebbende gegevens heeft verstrekt, die ertoe hebben geleid dat de wettelijk verschuldigde rechten niet zijn geheven, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat die gegevens verkeerd waren. Naar het oordeel van de Douanekamer is de inspecteur hier niet in geslaagd. De omstandigheid dat belanghebbende op de aangiften bij de Oostenrijkse douane wel de juiste goederencode had vermeld, hoeft niet tevens in te houden dat hij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de door hem aan de aangever ter hand gestelde en voor de heffing van de verschuldigde rechten benodigde gegevens onjuist waren. Ook uit de sub ... vermelde brieven kan dit niet worden afgeleid. Nu uit het vorenoverwogene volgt dat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden, is belanghebbende ten onrechte als schuldenaar aangemerkt. De bestreden uitspraak en de onderwerpelijke uitnodiging tot betaling moeten daarom worden vernietigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl