Hof Amsterdam 8 juli 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ0621

Gerechtelijke vaststelling vaderschap na overlijden. Voorop wordt gesteld dat de in artikel 1:207 BW neergelegde regeling natuurlijk niet in strijd mag zijn met artikel 8 EVRM en dat derhalve gekeken moet worden of dat al dan niet het geval is. Dat er tussen partijen onderling en tussen hen en X onderling family life bestaat c.q. bestond is door hen gesteld en door geïntimeerde niet bestreden. Gerechtelijke vaststelling van het vaderschap tussen geïntimeerde en X zou gezien artikel 1:197 BW niet alleen leiden tot familierechtelijke betrekkingen tussen geïntimeerde en X maar ook tussen appellanten en geïntimeerde. Dit zou ook het geval zijn indien in het verleden op andere wijze tussen X en geïntimeerde familierechtelijke betrekkingen zouden zijn ontstaan. Te denken valt aan geboorte staande huwelijk, adoptie en erkenning. Ook het op deze wijze ontstaan van familierechtelijke betrekkingen kan voor andere familieleden (broers, zusters, oma, opa, neven, nichten) gevolgen hebben die zij in het geheel niet wensen. Noch de wet, noch het EVRM komt hen hierin op enige wijze tegemoet. Geconstateerd kan derhalve worden dat het ontstaan van familierechtelijke betrekkingen kennelijk niet gezien wordt als een inbreuk op family life. Aangenomen moet worden dat een en ander ook geldt in geval van gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. De omstandigheid dat de vaststelling eventueel tegen de wil van de verwekker plaatsvindt maakt dat niet anders nu door die vaststelling weliswaar familierechtelijke betrekkingen ontstaan, maar meer ook niet. Family life in de zin van relationele betrekkingen behoeft daardoor niet te ontstaan. Dit brengt mee dat het beroep van appellanten op artikel 8 EVRM faalt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen