Hof Amsterdam 11 mei 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AP3843

In geschil is de douanewaarde van rozen uit Zuid-Afrika, die belanghebbende door verschillende aangevers heeft doen aangeven voor het vrije verkeer. Voorts is de navorderingstermijn in geding. Belanghebbende heeft de prijs op de factuur van leverancier G uit Zuid-Afrika voldaan. Nadien heeft zij creditfacturen opgemaakt en zijn onder de benaming “profit on sales” aan G nabetalingen gedaan welke op dezelfde zendingen rozen betrekking hebben. Op de aangiften is als douanewaarde uitsluitend de op eerstgenoemde facturen vermelde prijs ingevuld, verhoogd met een bedrag aan vrachtkosten tot de plaats van binnenkomst in de Gemeenschap. De Douanekamer is van oordeel dat ingevolge artikel 29, derde lid, onderdeel a, CDW, de voornoemde nabetalingen onderdeel uitmaken van de douanewaarde. Wat betreft de navorderingstermijn heeft de Douanekamer geoordeeld dat de inspecteur ingevolge artikel 221, derde lid, CDW jo. artikel 129 Wet inzake de douane onderscheidenlijk artikel 22e AWR, terecht deze termijn heeft verlengd tot vijf jaren; volgens de Douanekamer bestaat er geen grond voor het oordeel dat het handelen en nalaten van belanghebbende niet was gericht op ontduiking van rechten bij invoer. Het beroep is ongegrond verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen