Hof Amsterdam 10 november 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AQ4459
Het Hof is van oordeel dat belanghebbendes primaire stelling dat de inspecteur bij het vaststellen van de onderhavige uitnodiging tot betaling op 5 februari 1998 een zodanig ondeugdelijk motivering zou hebben gegeven en zodanig onzorgvuldig zou hebben gehandeld dat de uitnodiging dient te worden vernietigd, faalt. Belanghebbendes subsidiaire stelling, inhoudende dat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld en dat sprake is van een vergissing door de douane-autoriteiten die belanghebbende redelijkerwijs niet kon ontdekken, wordt ook verworpen. Met betrekking tot anti-dumpingheffingen overweegt het Hof dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde weerspreking door de inspecteur, niet althans onvoldoende aannemelijk gemaakt heeft dat in de transactieprijs elementen als bedoeld in artikel 33, letter f, van het CDW zijn begrepen, die geen deel van de douanewaarde uitmaken. Een en ander geldt ook ten aanzien van de heffing van omzetbelasting.
De uitspraak op rechtspraak.nl