Hof Amsterdam 30 mei 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AO2758
De omstandigheid dat betaling van een douaneschuld in de zin van artikel 233 van het CDW heeft plaatsgevonden raakt niet de rechtmatigheid van (één of meer) uitnodigingen tot betaling als bedoeld in artikel 221, eerste lid, van het CDW juncto artikel 22a van de AWR, waarin het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit die douaneschuld is medegedeeld. In casu heeft betaling van het bedrag van de rechten door een medeschuldenaar tot gevolg dat de douaneschuld teniet is gegaan, maar dit laat onverlet dat de inspecteur belanghebbende terecht door middel van het uitreiken van de uitnodiging tot betaling als schuldenaar voor de onderwerpelijke douaneschuld heeft aangesproken. Verder is de Douanekamer van oordeel dat geen sprake is geweest van een vergissing als bedoeld in artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW, zodat de bestreden uitspraak wordt bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl