Hof Amsterdam 5 december 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AO2164
De verdachte heeft dierlijke meststoffen op een niet-emissiearme wijze aangewend door op een perceel grasland dierlijke meststoffen met een giertank uit te sproeien. Ter terechtzitting is een beroep gedaan op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid en hiertoe is aangevoerd dat de methode die verdachte heeft gebruikt om mest uit te rijden, de zogenaamde FIR-methode beter, althans gelijkwaardig is aan de methode die de wetgever heeft voorgeschreven. Het beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid gaat volgens het hof reeds daarom niet op, aangezien de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij geen vrijstelling van de daartoe bevoegde autoriteiten heeft aangevraagd noch verkregen om op andere wijze dan volgens de wettelijke regelgeving dierlijke meststoffen emissiearm aan te wenden. Die weg had verdachte, op basis van artikel 64 van de Wet Bodembescherming, dienen te bewandelen. Het achterwege laten daarvan bergt immers het gevaar in zich dat de verdachte zijn eigen methode in de plaats stelt van die van de wet- en regelgever. Dit eigenmachtig optreden is niet aanvaardbaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl