Hof Amsterdam 3 februari 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AF4295

Belanghebbende beheert op grond van een managementovereenkomst twee beleggingsfondsen voor een beleggingsmaatschappij en handelt ter zake zelfstandig en bezit min of meer volledige beoordelingsvrijheid en beslissingsbevoegdheid. De activiteiten vormen naar hun aard en over het geheel genomen een afzonderlijk geheel van werkzaamheden waarmee de kenmerkende en essentiële functies worden vervuld van de in art. 11-1- i-3 van de Wet OB 1968 beschreven handelingen van beheer. De stelling van de inspecteur dat de desbetreffende activiteiten dienen te worden gekwalificeerd als het uitlenen van personeel faalt reeds daarom. Toepassing van de vrijstelling is voorts niet afhankelijk van de voorwaarde dat de dienst wordt verricht door de ondernemer die een rechtsbetrekking onderhoudt met de uiteindelijke afnemer van de prestatie, noch van de voorwaarde dat de diensten worden verricht door een bepaald type rechtspersoon; beslissend te dezer zake is slechts de aard van de verrichte handelingen. Belang­heb­bendes beroep is gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen