Hof Amsterdam 1 oktober 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AO5353
In het onderhavige geval moest een groot aantal aangiften worden gecorrigeerd, omdat bij controle achteraf was gebleken dat de waarde die door verschillende aangevers op de aangiften ten invoer ten behoeve van belanghebbende in de jaren 1996 en 1997 is vermeld, niet overeenkwam met de douanewaarde. In zodanig geval is het gebruikelijk dat de rechten worden nagevorderd op één uitnodiging tot betaling. In dergelijke gevallen worden op een bijlage bij de uitnodiging de verschuldigde bedragen en de berekeningswijze per aangifte gespecificeerd. Hoewel de werkwijze van de inspecteur in dit geval niet in overeenstemming was met de tekst van artikel 109 van de Douaneregeling, zoals deze vóór 2002 luidde, ziet de Douanekamer geen aanleiding tot vernietiging van de uitspraak en de daarbij gehandhaafde uitnodiging tot betaling. De resultaten van de controle zijn aan belanghebbende bekend gemaakt door middel van toezending van het controlerapport. Dit rapport is met belanghebbende en haar belastingadviseurs besproken. Op de bijlagen bij het rapport zijn de aangiften vermeld die door de aangevers zijn gedaan, met vermelding van de bijbehorende correcties per aangifte, voorzien van een specificatie van het te betalen bedrag. Op grond hiervan is de Douanekamer van oordeel dat belanghebbende door deze gang van zaken geenszins in haar verweer is geschaad, zodat het bestreden besluit in stand wordt gelaten. Aan dit oordeel doet niet af dat belanghebbende - naar zij heeft gesteld - geen professionele aangever is en bij haar de kennis ontbreekt om de juistheid van het bedrag van de uitnodiging tot betaling te controleren, reeds omdat uit de stukken blijkt dat zij zich tijdens de bespreking van de resultaten van de controle heeft laten bijstaan door haar adviseurs en hun kennis van de onderhavige materie aan haar moet worden toegerekend.
De uitspraak op rechtspraak.nl