Hof Amsterdam 6 december 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AF2762
(DEZE UITSPRAAK VERVANGT DE VERSIE DIE EERDER OP 5 DECEMBER 2002 IS GEPUBLICEERD) Liquidatie-uitkering aan lid van onderlinge waarborgmaatschappij, voldaan uit overnamesom van rechtspersoon die het verzekeringsbedrijf overneemt. Aan wie en tot welk bedrag zodanige uitkering toevalt volgt uit de statuten van de waarborgmaatschappij, die daartoe met het oog op de liquidatie zijn aangepast. De uitkering komt voort uit het eigen vermogen van de waarborgmaatschappij, dat losstaat van de wederzijdse rechten en plichten uit de verzekeringsovereenkomsten met de leden-verzekerden. Mede gelet op de inhoud van de aangepaste statuten valt de uitkering de rechthebbende daarom toe als lid, niet als verzekerde, en mag deze daarom niet worden aangemerkt als negatieve persoonlijke verplichting (terugbetaalde verzekeringspremie). De uitkering behoort tot inkomsten uit vermogen, omdat het als voordeel is getrokken uit een vermogensrecht (het lidmaatschap van de waarborgmaatschappij). Door dat lidmaatschap neemt het lid deel aan het economisch verkeer, met het oogmerk en de redelijke verwachting daaruit voordeel te behalen. De uitkering moet worden gelijkgesteld met een uitkering bij liquidatie op aandelen zoals omschreven in artikel 25, eerste lid, van de Wet IB 1964, en is daarom belast op de voet van artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van die wet.
De uitspraak op rechtspraak.nl