Hof Amsterdam 21 mei 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AE8422
Belanghebbenden zijn erfgenamen van A. A had bij Legio-Lease een tweetal aandelenleasecontracten afgesloten. Deze contracten hadden ten tijde van het overlijden van A nog een looptijd van respectievelijk van vijf en 25 maanden. Belanghebbenden hebben de contracten voortgezet. Ten tijde van het overlijden van A bedroeg de resterende betalingsverplichting fl. 35.091. De beurswaarde van de onderliggende aandelen was fl. 79.247. Belanghebbenden hebben de resterende betalingsverplichting wel op de totale belaste verkrijging in mindering gebracht maar zij stellen dat de onderliggende aandelen niet tot de totale belaste verkrijging hoeven te worden gerekend. Zij dragen hiervoor aan dat een verkrijging van geleasde aandelen niet op het aangiftebiljet wordt genoemd. Het hof oordeelt allereerst dat het voor drie belanghebbenden mogelijk is om bij één geschrift in bezwaar te komen, als de aanslagen op één aanslagbiljet zijn verenigd. Ook het in beroep komen van drie belanghebbenden bij één geschrift is geen probleem. Het hof is van oordeel dat de waarde van de geleasde aandelen een verkrijging vormt in de zin van artikel 5(1) van de Successiewet 1956. Dat een dergelijke verkrijging niet met name op het aangiftebiljet wordt genoemd, doet daaraan niet af. De resterende betalingsverplichting kan op de verkrijging in mindering worden gebracht. Het hof oordeelt nog dat belanghebbenden de onderliggende aandelen niet tussentijds konden verkopen en dat daarom op de beurswaarde van de aandelen een waardedrukkende factor wegens incourantheid moest worden toegepast. Het hof stelt deze waardedrukkende factor op 10%. De inspecteur heeft vervanging van de mondelinge uitspraak door een schriftelijke aangevraagd.
De uitspraak op rechtspraak.nl