Hof Amsterdam 13 februari 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AE0909

In een eerdere procedure heeft het Hof overwogen dat in de regeling van artikel 40a van de Wet de daadwerkelijke totstandkoming van een fiscale eenheid tussen Holding BV en B BV niet als afzonderlijke eis gesteld, en nog minder tot uitdrukking is gebracht per welk tijdstip die fiscale eenheid dan zou dienen in te gaan. In de onderhavige procedure is het Hof van oordeel dat belanghebbende voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de aandelenruil bij haar niet het voornemen bestond om een deel van de aandelen B BV te vervreemden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen