Hof Amsterdam 26 februari 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AE0334
Inbreng van onderneming gevolgd door staking binnen drie jaar. Met de in artikel 5, vierde lid, van het Besluit neergelegde eis dat de vennootschap de onderneming gedurende ten minste drie jaren zou voortzetten is de besluitgever niet buiten zijn delegatiebevoegdheid getreden. De besluitgever heeft redelijkerwijs kunnen aannemen dat deze eis zou kunnen dienen tot het voorkomen van oneigenlijk gebruik. Ook is geen sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke wetgeving. Uit de verwijzing in de wetsgeschiedenis naar de toelichting op de standaardvoorwaarden bij artikel 18 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 volgt geen verplichting voor de besluitgever om elke wijziging daarin van overeenkomstige toepassing te doen verklaren voor de regeling van artikel 15, eerste lid, letter e, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer.
De uitspraak op rechtspraak.nl