Hof Amsterdam 6 januari 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AD9551

Inspecteur houdt ten onrechte vast aan door belanghebbende op verzoek gegeven schatting van zijn belastbare inkomen. Aan belanghebbende is een verklaring afgegeven in de zin van artikel 3d, tweede lid, van de Ziekenfondswet voor het jaar 2000, waarin wordt gesteld dat hij voldoet aan de in het eerste lid van het artikel bedoelde voorwaarden. Belanghebbende is het gehele onderhavige jaar in dienst geweest bij A. Hij genoot een salaris van ongeveer ƒ 80.000. Met ingang van 6 juni 2000 is hij onder de naam B Consult voor eigen rekening een onderneming gaan drijven. Belanghebbende werd door de inspecteur verzocht zijn inkomen voor het onderhavige jaar te schatten. Hij schatte zijn belastbare inkomen op ƒ 20.000, maar ging er daarbij vanuit dat werd verzocht om de hoogte van de winst uit onderneming te schatten. De inspecteur houdt bij de beoordeling van de verzekeringsplicht vast aan de door belanghebbende eerst gedane schatting. Naar het oordeel van het Hof verzet de Wet noch de Regeling zich ertegen dat in het onderhavige geval wordt aangesloten bij de schatting zoals belanghebbende die bij aanvang heeft beoogd te geven. De inspecteur heeft de hoogte van deze schatting als zodanig niet betwist. Nu het door belanghebbende geschatte belastbare inkomen uitgaat boven het in de Ziekenfondswet genoemde bedrag, is aan belanghebbende ten onrechte een verklaring afgegeven. De door de inspecteur voorgestane vaststellingswijze brengt met zich dat de 'eerste' schatting van het inkomen bij startende ondernemers van meet af aan onherroepelijk is. Een dergelijke wijze van vaststelling van het inkomen maakt de bij de Wet geboden mogelijkheid bezwaar te maken tegen een verklaring als bedoeld in artikel 3d, tweede lid, van de Wet welhaast illusoir.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen