Hof Amsterdam 19 juni 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AO2635
Door de inspecteur zijn in de vergunning voor het beheer van een douane-entrepot bepalingen opgenomen met betrekking tot de door belanghebbende te voeren voorraadadministratie. Na beëindiging van de entrepot-activiteiten is gebleken dat een groot deel van de administratie niet voorhanden was. Ingevolge artikel 8 Douanewet en artikel 14 CDW rust op belanghebbende een informatie-, administratie- en bewaarplicht. Belanghebbende heeft aan deze verplichtingen niet volledig voldaan, als gevolg waarvan voor een gedeelte van de goederen de uitslag niet kon worden aangetoond. Naar het oordeel van de Tariefcommissie heeft de inspecteur zich terecht op het standpunt gesteld dat deze goederen geacht moeten worden door belanghebbende aan het douanetoezicht te zijn onttrokken, als bedoeld in artikel 203 CDW. Gelet op hetgeen de inspecteur - onweersproken - heeft gesteld inzake de vaststelling van het bedrag van de uitnodiging, kan niet worden gezegd dat hij daarbij onredelijk of onzorgvuldig te werk is gegaan, aldus de Tariefcommissie.
De uitspraak op rechtspraak.nl