Hof Amsterdam 27 december 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AN8509
In een geval als het onderhavige, waarin een groot aantal aangiften moest worden gecorrigeerd, omdat bij een controle a posteriori was gebleken dat de overgelegde oorsprongscertificaten ongeldig waren, is het gebruikelijk dat de rechten worden nagevorderd op één uitnodiging tot betaling. Naar het oordeel van de Tariefcommissie verzet geen voorschrift in het communautaire recht zich ertegen dat een uitnodiging tot betaling betrekking heeft op meer dan één aangifte ten invoer. Verder is de Tariefcommissie van oordeel dat het gemeenschapsrecht de douaneautoriteiten die op de hoogte zijn van een mogelijke fraude niet verplicht om de aangever te waarschuwen. In het onderhavige geval werd pas geruime tijd nadat de aangiften voor het vrije verkeer waren gedaan, informatie van de Russische autoriteiten ontvangen dat de certificaten vervalst zouden kunnen zijn. Tot slot geldt als hoofdregel, ingevolge artikel 221, lid 3, CDW, dat navordering niet meer mogelijk is, indien vanaf de dag waarop de douaneschuld is ontstaan een termijn van drie jaren is verstreken; deze termijn kan door de lidstaten ingeval van een strafrechtelijk vervolgbare handeling verlengd worden. In artikel 22e AWR is die termijn voor de Nederlandse rechtsorde verlengd tot 5 jaren, doch alleen ten aanzien van schuldenaren die het oogmerk hadden om de rechten bij invoer te ontduiken. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de inspecteur moet aantonen dat in casu bij belanghebbende een dergelijk oogmerk bestond. De Tariefcommissie ziet in de omstandigheden van dit concrete geval voldoende grond om de navorderingstermijn jegens belanghebbende tot drie jaren te beperken.
De uitspraak op rechtspraak.nl