Hof Amsterdam 20 februari 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AM8205
Belanghebbende is in het bezit gekomen van afschriften van souches van het carnet TIR. De Tariefcommissie ziet geen reden te twijfelen aan een verklaring van de Spaanse douaneautoriteiten dat de daarop voorkomende stempels en handtekeningen vals zijn. Naar het oordeel van de Tariefcommissie heeft belanghebbende voorts haar stelling dat de goederen daadwerkelijk naar Cadiz zijn overgebracht en aldaar aan de expediteur S zijn overgedragen, niet aannemelijk gemaakt. Derhalve wordt geoordeeld dat niet is voldaan aan de verplichting om de goederen op het kantoor van bestemming aan te brengen. Nu de douaneregeling van het externe douanevervoer onder geleide van een carnet TIR niet regelmatig is beëindigd, wordt met toepassing van artikel 215, lid 3, CDW de douaneschuld geacht te zijn ontstaan op de plaats waar de goederen onder de regeling zijn gesteld, in casu Nederland. Derhalve hebben de douaneautoriteiten zich terecht heffingsbevoegd geacht. Ten overvloede merkt de Tariefcommissie op dat, zo dit oordeel anders zou hebben geluid, zulks - gelet op de in artikel 454, derde lid, derde en vierde alinea, van de Uitvoeringsverordening van het CDW vervatte "compensatieregeling" - op zichzelf beschouwd niet tot vernietiging van de uitnodiging tot betaling zou hebben geleid. Voor de op grond van artikel 204, lid 1, letter a, juncto 96, lid 1, CDW ontstane douaneschuld is belanghebbende als titularis van het document terecht aansprakelijk gesteld, aldus de Tariefcommissie.
De uitspraak op rechtspraak.nl