Hof Amsterdam 21 augustus 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AB8143
Belanghebbende is als werkgeefster gehouden was om aan de dochter van de middellijk grootaandeelhouder een betaling te doen van “een bedrag van f 145.953,38 netto als suppletie op een te ontvangen sociale uitkering of op eventueel elders te verdienen lager salaris”. Deze betaling is aan gedaan in haar hoedanigheid van (gewezen) werkneemster en behoort tot haar loon uit een vroegere dienstbetrekking. Het staat vast dat aan haar f 145.953,38 is betaald ten laste van een rekening van X Beheer B.V., de aandeelhouder van belanghebbende en de persoonlijke houdstermaatschappij van de vader. Het Hof begrijpt dat het de bedoeling van de vader is, althans was, om deze betaling uiteindelijk voor zijn rekening te nemen. Belanghebbende had de betaling aan de dochter, ook al is deze gedaan door deze derde, als netto loon behoren te administreren en daarover loonheffing behoren aan te geven en af te dragen aan de inspecteur. Vader kon dus niet door zelf f 145.953,38 aan zijn dochter te betalen bereiken dat belanghebbende zich ontdeed van haar verplichting als inhoudingsplichtige en dat de werkneemster inkomstenbelasting over de vergoeding zou moeten betalen zonder een recht op verrekening van de ten laste van belanghebbende komende loonheffing.
De uitspraak op rechtspraak.nl