Hof Amsterdam 18 juli 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2930
Belanghebbende heeft in 1985 vermogensbestanddelen die aanvankelijk waren ondergebracht in een depot van een in Nederland gevestigd bankkantoor laten over-boeken naar een door hem bij een te T, Zwitserland, gevestigde bank geopende nummerrekening, waarvan hij en zijn echtgenote de rechthebbenden waren. Bij zijn aangiften voor de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting voor de jaren 1985 tot en met 1993 respectievelijk 1986 tot en met 1994 heeft hij geen melding gemaakt van de desbetreffende vermogensbestanddelen noch van de daaruit voortgevloeide inkomsten. Op 21 november 1997 heeft belanghebbende alsnog aangifte gedaan van onder meer de in 1987 uit deze vermogensbestanddelen opgekomen inkomsten. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 mei 2001, nr. 36.199 (V-N 2001/25.6, NTFR 2000/694) belanghebbendes voor het jaar 1987 ingestelde cassatieberoep gegrond verklaard. Tussen partijen is onder meer in geschil of er voor de overige van de hierboven genoemde jaren sprake is van vrijwillige verbetering. Hof: Ten tijde van de verbetering van aangiften door belanghebbende bestond een serieuze mogelijkheid dat zijn Zwitserse bankrekening bij het onderzoek van justitie en de Belastingdienst niet zou worden achterhaald of met hem in verband zou worden gebracht. Hieruit volgt dat belanghebbende ten tijde van de verbetering van de aangiften niet wist dan wel -objectief gezien- redelijkerwijs moest vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid van die aangiften bekend was of bekend zou worden.
De uitspraak op rechtspraak.nl