Hof Amsterdam 6 juni 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2464

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich mee dat, nu het door belanghebbende genoten salaris significant hoger is dan de WAZ-norm, de inspecteur aannemelijk dient te maken dat in een situatie waarin een aanmerkelijk belang geen rol speelt, het gebruikelijke loon hoger is dan de in concreto aan belanghebbende in 1998 toegekende arbeidsbeloning. Het Hof acht de inspecteur niet in dit bewijs geslaagd. De inspecteur heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat, nu er bij belanghebbende ten opzichte van het jaar 1997 een salarisverlaging heeft plaatsgevonden, belanghebbende aannemelijk dient te maken dat deze salarisverlaging op zakelijke gronden berust. Dit standpunt vindt geen steun in het recht. Het is de inspecteur die aannemelijk dient te maken dat bij het vaststellen van het salaris meer dan 30% is afgeweken van het gebruikelijke loon. Het Hof merkt in dit verband ten overvloede nog op dat uitgaande van een gebruikelijk loon van ƒ 296.900, als door de inspecteur gesteld, het feitelijk betaalde salaris minder dan 30% (te weten: 27%) afwijkt van het gebruikelijke loon.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen