Hof Amsterdam 31 januari 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AB0430
Het geschil betreft de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1989 met dagtekening 31 december 1994. De inspecteur maakt aannemelijk dat belanghebbende in 1989 in Nederland belastingplichtig was. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende strafrechtelijk veroordeeld is voor deelname in de periode van mei 1988 tot en met januari 1996 aan een organisatie met als oogmerk het binnen en buiten Nederland brengn en verkopen en afleveren en vervoeren van grote hoeveelheden hasj en voor het in 1989 binnen Nederland brengen van een omvangrijke partij hasj. Voorts woonden de dochters en concubine in Nederland. Belanghebbende had economische en persoonlijke banden met Nederland. Belanghebbende heeft zich op 30 september 1988 laten uitschrijven uit het Centraal Persoonsregister en is sedertdien niet meer in persoonsregisters in Nederland opgenomen. Aannemelijk is dat belanghebbende alles in het werk heeft gesteld om zijn feitelijke binnenlandse woonplaats te verhullen voor o.a. de belastingdienst. De inspecteur mocht zich onder de gegeven omstandigheden voor het uitreiken van het aanslagbiljet wenden tot een vertegenwoordiger van belanghebbende. Uit berichtgeving in dagbladen had de inspecteur begrepen, en mocht dat ook begrijpen naar ’s Hofs oordeel, dat F optrad als raadsman van belanghebbende in strafzaken. De inspecteur heeft op 28 december 1994 een duplicaat van het onderhavige aanslagbiljet, met andere aanslagen, uitgereikt aan F. Op 29 december 1994 heeft F een strafklacht wegens knevelarij ingediend tegen de belastingdienst. Gelet op artikel 6 van de Gedragsregels voor advocaten acht het Hof niet aannemelijk dat F de klacht wegens knevelarij heeft ingediend en bekendgemaakt in dagbladen zonder medeweten en instemming van belanghebbende. De aanslag is rechtsgeldig uitgereikt. F heeft bij brief van 30 december 1994 tijdig bezwaar ingesteld. Na verzoek van de inspecteur om toezending van een machtiging door F deelt F in januari 1995 mede dat hij zich niet als gemachtigde van belanghebbende beschouwt. In een brief van 9 april 1997 bericht de inspecteur aan F dat de door F ingediende stukken niet zijn aan te merken als bezwaarschriften. De inspecteur heeft voldoende aangetoond dat het aan belanghebbende (die in 1995 en begin 1996 nog niet was gedetineerd) zelf te wijten is dat geen machtiging is overgelegd. De bewoordingen van de inspecteur in de brief van 9 april 1997 laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de inspecteur schriftelijk heeft geweigerd een besluit te nemen in de zin van artikel 6:2 Awb. Dit schrijven is gelijkgesteld met een besluit. Weliswaar is geen rechtsmiddel vermeld doch belanghebbende had tegen dat besluit op de voet van artikel 8:1 Awb beroep moeten instellen bij het Hof. De inspecteur heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij diende te besluiten tot weigering van het doen van een uitspraak. De inspecteur had uitspraak moeten doen op het bezwaarschrift van 30 december 1994 in dier voege dat hij het bezwaar niet ontvankelijk had dienen te verklaren nu dat was ingediend door een fiscaal onbevoegde vertegenwoordiger. Bij brief van 15 februari 2000 heeft de gemachtigde de inspecteur schriftelijk medegedeeld dat hij pro forma bezwaarschriften indient tegen onder meer de onderhavige navorderingsaanslag. Niet vermeld is dat reeds eerder bezwaar is ingesteld dat thans wordt bekrachtigd. De inspecteur had het schrijven van 15 februari 2000 dienen aan te merken als een beroepschrift dat is ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan conform artikel 6:15 Awb. De inspecteur heeft niet voldaan aan zijn doorzendplicht doch op 5 juni 2000 een als uitspraak aangeduid besluit genomen waarbij het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding. Vaststaat dat het beroepschrift niet bij de inspecteur is ingekomen binnen de termijn van zes weken na 9 april 1997. Het Hof acht, mede gelet op mededelingen van een psychiater, voldoende aannemelijk dat belanghebbende psychisch niet in staat was om adequaat te reageren op belastingaanslagen. Redelijkerwijs kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende is verzuim is geweest. Het op 15 februari 2000 ingediende beroepschrift is tijdig. De inspecteur heeft bij het besluit van 9 april 1997 ten onrechte geweigerd uitspraak te doen op het tijdig ingediende bezwaarschrift van 30 december 1994. De inspecteur had het bezwaar niet ontvankelijk dienen te verklaren nu van de zijde van belanghebbende op voor zijn ricico komende gronden geen geldige machtiging aan de inspecteur is verstrekt. Het Hof verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl