Hof Amsterdam 7 maart 2000, ECLI:NL:GHAMS:2000:AN9467
In dit geval ziet de aangifte ten uitvoer op 170 dozen, waarin zich verschillende verpakte deelstukken vlees bevonden. Indien op de voet van artikel 68 van het CDW slechts één individuele verpakking uit een doos als monster wordt genomen voor analyse ter bepaling van de tariefindeling van alle 170 dozen, dan is naar het oordeel van de Tariefcommissie geen sprake van een representatief monster. De resultaten van het onderzoek van het monster rechtvaardigen in dit geval dan ook niet de beslissing van de inspecteur om af te wijken van de omschrijving van de goederen op de aangifte. Dit betekent echter niet dat in dit geval niet zou kunnen worden afgeweken van de aangegeven tariefpost, enkel vanwege de omstandigheid dat de gevolgde wijze van monsterneming niet correct is geweest en de douane geen onderzoek heeft gedaan naar de indeling van het vlees in bevroren toestand. Immers, de indeling in het tarief moet geschieden naar de objectieve kenmerken van de goederen zoals deze feitelijk zijn komen vast te staan ten tijde van aanvaarding van de aangifte. Nu van de aangegeven partij rundvlees niet is komen vast te staan hoe hoog het gehalte mager rundvlees (met uitzondering van vet) is, moet naar het oordeel van de Tariefcommissie worden geoordeeld dat het betrokken vlees valt onder post 0202 30 90 van het GDT en onder post 0202 30 90 99 00 van de restitutienomenclatuur.
De uitspraak op rechtspraak.nl