Hof Amsterdam 7 november 2000, ECLI:NL:GHAMS:2000:AL8123

In casu staat vast dat het vervoer, met betrekking waartoe het onderhavige document T1 is geldig gemaakt, is aangevangen in Nederland en in België is geëindigd. Op grond van artikel 3 van de Verordening (EEG) nr. 222/77 is in dat geval ten aanzien van de zuivering van dit document de nationale regeling van artikel 54 AWDA, zoals deze in 1990 gold, van toepassing. Deze wettelijke bepaling dwingt ertoe dat de aangever in een vroeg stadium, derhalve kort na 14 dagen na het verstrijken van de geldigheidsduur (8 dagen) van het document, in kennis dient te worden gesteld van een eventuele niet-zuivering van het document. De ratio hiervan is dat de aangever er alle belang bij heeft dat hem zo spoedig mogelijk gelegenheid wordt geboden om fouten, die zich bij het vervoer hebben voorgedaan, te herstellen. De kennisgeving in casu op 31 januari 1991 is in dat opzicht niet meer passend te noemen. Bovendien is niet gebleken dat bij die kennisgeving een termijn is gesteld, waarbinnen belanghebbende de gelegenheid werd geboden alsnog de regelmatigheid van het douanevervoer aan te tonen. De Tariefcommissie oordeelt deze verzuimen van dien aard dat de geldigheid van de procedure, die tot het ongezuiverd verklaren van het document T1 heeft geleid, is aangetast en dat de uit die procedure voortvloeiende uitnodiging tot betaling niet in stand kan blijven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen