Hof Amsterdam 8 augustus 2000, ECLI:NL:GHAMS:2000:AK5043

De stelling van belanghebbende dat een onttrekking zich in Portugal heeft voorgedaan, dan wel dat de onregelmatigheid aldaar is vastgesteld verwerpt de Tariefcommissie. Omtrent de plaats waar de goederen feitelijk naar toe zijn gebracht is niets komen vast te staan. Evenmin is gebleken dat de valse stempels daadwerkelijk aldaar zijn gezet. De Nederlandse douane heeft vastgesteld dat de goederen niet op het kantoor van bestemming zijn aangebracht op basis van de verklaring door de Portugese douane dat de stempels en de handtekeningen op het terugzendingsexemplaar, dat door de Nederlandse douane ter controle aan hen was doorgestuurd, vals waren. Nederland moet daarom met toepassing van artikel 215, lid 3, eerste streepje, CDW als de heffingsbevoegde Staat worden aangemerkt. De omstandigheid dat in het onderhavige geval geen mededeling als bedoeld in artikel 379, lid 1, UCDW is gedaan staat in dit geval de heffingsbevoegdheid van Nederland noch de juistheid van de navordering in de weg. De termijn van drie maanden als bedoeld in lid 2 van genoemd artikel is dwingend voorgeschreven voor het geval de terugzendingsexemplaren niet op het kantoor van vertrek zijn terugontvangen, maar geldt niet voor het onderhavige geval, waarin pas na geruime tijd bij een controle achteraf - het document was toen al als "gezuiverd" aangemerkt - van de valsheid van de stempels op het terugzendingsexemplaar is gebleken, terwijl dan omtrent de daadwerkelijke bestemming van de goederen niets meer bekend kan worden. Partijen verschillen niet van mening over het aanbrengen van de valse stempels. Daaruit vloeit een verschuldigdheid voort ex artikel 204 CDW, en derhalve is aan belanghebbende terecht met toepassing van het derde lid van die bepaling een uitnodiging tot betaling gedaan. Het in het beroepschrift naar voren gebrachte beroep op artikel 239 van het CDW komt niet voor behandeling in aanmerking, omdat een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding niet in een reeds aangevangen procedure ter zake van de uitnodiging tot betaling kan worden geïnsereerd, doch slechts afzonderlijk kan worden ingediend. In de onderhavige zaak doet zich niet voor een situatie als aan de orde was in het arrest van het Hof van Justitie van 7 september 1999 in de zaak C-61/98, UTC 1999/53, te weten dat er ter zake van hetzelfde feitencomplex tegelijk beroepen inzake een beschikking van de Commissie op een verzoek om teruggaaf en een verzoek van een nationale rechterlijke instantie om bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de uitlegging van het gemeenschapsrecht, bij het Hof van Justitie aanhangig zijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen