Hof Amsterdam 20 oktober 2000, ECLI:NL:GHAMS:2000:AA9106
De gemachtigde van belanghebbende zond het beroepschrift, gericht aan het Hof, op de laatste dag van de beroepstermijn per fax aan de Nationale ombudsman, aan wie hij om doorzending verzocht. Hof: Doel en strekking van de in artikel 13 Wet Nationale ombusman vervatte regeling sluiten toepassing van de tweede volzin van die regeling (recht van voorbehoud van de eerste datum) in het onderhavige geval uit. Belanghebbende, bijgestaan door een beroepsgemachtigde, is geen mogelijk slachtoffers geweest van een onduidelijke bevoegdheidsregeling. Zijn gemachtigde wist dat hij het beroepschrift verkeerd adresseerde en hij wordt geacht te hebben geweten dat hij het geschrift nog tijdig had kunnen bezorgen in de brievenbus van het bevoegde gerechtshof. De gemachtigde maakt, door de ombudsman als postbode te gebruiken en zich te beroepen op artikel 13, tweede volzin WNo, oneigenlijk gebruik van de regels van rechtsbescherming. Het beroepschrift is eerst op 11 november 1998 ter griffie van het Hof ingekomen; het beroep van belanghebbende is wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl