Hof Amsterdam 13 juni 2000, ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7614

Belanghebbende heeft zaken uit zijn privé-vermogen in zijn ondernemingsvermogen ingebracht. Deze moeten worden gewaardeerd op de waarde die zijn op dat moment in het economische verkeer hadden en niet, zoals belanghebbende verdedigt, op het bedrag dat hij zou hebben moeten uitgeven voor de aanschaf van die zaken op het moment dat hij deze inbracht in het ondernemingsvermogen. Het ten behoeve van de onderneming als kantoorgedeelte van het tot belanghebbendes privé-vermogen behorende pand, is aan te merken als woonhuis. Dat een gedeelte van het pand niet is bestemd voor gebruik in de persoonlijke sfeer, gebouwd is als kantoorruimte en ook als zodanig is ingericht en wordt gebruikt doet daaraan niet af, nu in vele woonhuizen een ruimte wordt gebruikt als kantoor- of studeerkamer en niet aannemelijk is dat de ruimte niet ook op andere wijze kon worden gebruikt in het kader van bewoning. Het afschrijvingsforfait van art. 7, eerste lid, UR IB 1990 is van toepassing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen