Hof Amsterdam 23 februari 1999, ECLI:NL:GHAMS:1999:AN8551

Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen de wijze van monsterneming. Niet is gebleken dat bij de ambtelijke monsterneming onjuistheden of onregelmatigheden zijn begaan. Het genomen monster moet daarom representatief voor de ingevoerde goederen worden geacht. Ingevolge artikel 6, lid 6, van de Douanewet geldt de uitslag van het heronderzoek als het resultaat van het onderzoek, bedoeld in artikel 68, onderdeel b, CDW, en evenzo als het resultaat van de verificatie, dat met toepassing van artikel 71, lid 1, CDW dient als grondslag voor de heffing van rechten bij invoer. Nu zowel het onderzoek van het eerste eindmonster als het heronderzoek van het tweede eindmonster tot resultaat hebben gehad dat in de goederen meer dan 1,5 gewichtspercent aan vet is bevonden, heeft dat percentage als een der grondslagen voor de indeling in het GDT te gelden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen