Hof Amsterdam 24 augustus 1999, ECLI:NL:GHAMS:1999:AN8183
De aangifte ten invoer in het vrije verkeer volgens de vereenvoudigde procedure van artikel 76, lid 1, letter c, CDW vindt plaats door de uitslag van de goederen in de administratie in te schrijven en maandelijks bij de douaneambtenaren een aanvullende aangifte in te dienen. Op grond van artikel 76, lid 3, CDW worden de inschrijvingen en de aanvullende aangifte als één enkele en ondeelbare akte aangemerkt, welke geldig is vanaf de datum van de inschrijvingen in de administratie. Van boeking kan in het geval van de onderhavige vereenvoudigde procedure pas sprake zijn nadat de ambtenaren - na ontvangst van de aanvullende aangifte - van de diverse inschrijvingen hebben kennisgenomen. Uit de systematiek van de vereenvoudigde aangifte vloeit voort dat niet elke op de aanvullende aangifte voorkomende inschrijving afzonderlijk wordt geboekt, doch dat één boeking van alle inschrijvingen tezamen plaatsvindt. Deze wijze van boeken is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 218, lid 1, tweede alinea, CDW. Indien vorenomschreven verzameling van bedragen over een vaste periode ertoe leidt dat het totaal verschuldigde bedrag meer bedraagt dan 10 ECU, dient dit bedrag in één keer te worden geboekt. Indien de boeking van dit wettelijk verschuldigde bedrag ten onrechte achterwege blijft, dient te worden nagevorderd. Gelet op de hoogte van dit bedrag is in casu geen plaats voor toepassing van de tweede volzin van artikel 868 UCDW, aldus de Tariefcommissie.
De uitspraak op rechtspraak.nl